De bestaande internationale milieuwetgeving volstaat niet. Wetgeving inzake ecocide vormt een belangrijk onderdeel van de puzzel. 

Deze gastblog is geschreven door Paola Vitale, afgestudeerd in de rechten aan de Universiteit van Bologna, die zich nu inzet voor milieurecht en klimaatrecht en als kernlid samenwerkt met Youth for Ecocide Law.


De bestaande handhavingsmechanismen die bedoeld zijn om het milieu te beschermen, schieten tekort wanneer staten hun milieuverplichtingen niet nakomen. Dit is geen moeilijk standpunt om te verdedigen: wereldwijd worden ecosystemen in een alarmerend tempo vernietigd en slagen de meeste staten er niet in om klimaatverandering daadwerkelijk aan te pakken.

Waarom schieten onze handhavingsmechanismen dan tekort en hoe kunnen we een effectiever kader creëren? In dit artikel wordt onderzocht wat de oorzaak is van de tekortkomingen in de handhaving en hoe vernieuwende benaderingen, zoals wetgeving inzake ecocide, juridische consequenties kunnen introduceren die de huidige mechanismen niet bieden. 

Het verschil tussen naleving, implementatie en handhaving

Om het probleem te begrijpen, wil ik eerst verduidelijken hoe ik drie belangrijke begrippen gebruik: „naleving“, „uitvoering“ en „handhaving“. Volgens het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) betekent naleving simpelweg dat een staat voldoet aan de verplichtingen die hij is aangegaan (bijvoorbeeld door zijn nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met een verdrag dat hij heeft geratificeerd).

Daarentegen verwijst „uitvoering“ naar alle relevante wetten, beleidsmaatregelen en acties die een actor onderneemt om te voldoen aan de verplichtingen die hij is aangegaan (zoals het opzetten van monitoringsystemen, het opleiden van autoriteiten en het vaststellen van institutionele procedures). 

Ten slotte verwijst handhaving naar de maatregelen die zijn ingesteld om actoren te dwingen hun verplichtingen na te komen (bijvoorbeeld door middel van sancties). In dit artikel heeft handhaving niet alleen betrekking op het gedrag van personen en organisaties, maar ook op dat van staten, in overeenstemming met de manier waarop wetenschappers de term gebruiken.

Inzicht in de oorzaken van gebrekkige handhaving

Op papier heeft het internationaal milieurecht er formeel gezien nog nooit zo sterk uitgezien. We beschikken over honderden verdragen, mondiale kaders, niet-bindende richtsnoeren en, in het afgelopen decennium, een explosieve toename van klimaatrechtszaken. Toch lijkt het vaak alsof de betrokkenen handelen vanuit een‘gedeelde fantasie’, waarin hun geloof in de werking van het internationaal recht de werkelijkheid ver overstijgt

De Vrede van Westfalen (1648), een mijlpaal in de ontwikkeling van het internationaal recht, waarbij een op zelfregulering gebaseerd, vrijwillig systeem werd ingevoerd.
Bron: The National Gallery.

Een van de redenen waarom de handhaving zo zwak is, ligt in de historische kenmerken van het internationaal recht zelf. Het internationaal recht is ontstaan als een systeem waarin de partijen zelf oordelen. In tegenstelling tot andere takken van het internationaal recht heeft het internationaal milieurecht met name nooit een alomvattend wereldwijd handhavingssysteem ontwikkeld. Bovendien is de toegang tot de rechter door de jaren heen beperkt gebleven, aangezien regels inzake procesbevoegdheid ngo’s of getroffen gemeenschappen vaak hebben belet een zaak aanhangig te maken, vooral wanneer de schade collectief of van langdurige aard is. 

Afgezien van de historische aspecten van het milieurecht, is het gebrek aan naleving van milieuregels aan verschillende factoren toe te schrijven. Kassie wijst op de volgende belangrijkste problemen: een gebrekkige uitvoering op nationaal niveau, slechte communicatie tussen wetenschappers en beleidsmakers, en verdragsteksten die vaag zijn of door elk land anders worden geïnterpreteerd.

Volgens andere deskundigen, zoals Brunée, is het probleem niet dat er helemaal geen handhavingsinstrumenten zijn, maar veeleer het gebrek aan capaciteit (technisch, financieel en institutioneel) om die instrumenten in de praktijk te laten werken. Vanuit dit perspectief is het probleem niet dat er helemaal geen handhavingsmechanismen bestaan, maar dat onvoldoende financiering en een ontoereikende institutionele infrastructuur verhinderen dat ze effectief functioneren. 

Uit een onderzoek van Prameela en Asha Sundaram blijkt hoe diep dit probleem zit, vooral in ontwikkelingslanden. Door 231 mensen te interviewen die werkzaam zijn bij ngo’s, de overheid, het bedrijfsleven en op het gebied van milieuregelgeving, kwamen de auteurs tot de conclusie dat velen milieuwetgeving als ondoeltreffend beschouwden. De grootste belemmeringen? Een gebrek aan middelen, beperkte publieke bewustwording, onvolledige wettelijke kaders, corruptie en zwak bestuur.

In verdragen is vrijwel elke strategie al eens geprobeerd: zachte wetgeving, harde wetgeving, flexibiliteit van onderaf, verplichtingen van bovenaf. Maar het vertrouwen op slechts één model heeft ernstige beperkingen met zich meegebracht, zoals blijkt uit de lange en wisselvallige geschiedenis van het UNFCCC en het Kyoto-protocol. 

Hetzelfde patroon doet zich voor in andere milieuovereenkomsten. Hedemann-Robinson wijst erop dat staten vaak niet eens de basisrapporten indienden die nodig zijn om de uitvoering te controleren: „Slechts 13 % van de verdragsluitende partijen heeft zijn jaarverslag over 2013 inzake stortvergunningen ingediend in het kader van het Verdrag van 1972 inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee door het storten van afval en andere stoffen. Slechts 47 % van de verdragspartijen van het Protocol van Londen van 1996 bij het Verdrag van 1972 had voor 2013 rapporten over vergunningen voor het storten in zee ingediend, terwijl slechts 25 % van de verdragspartijen tegen 2015 hun rapporten over uitvoeringsmaatregelen had ingediend.’

Daarom werken gemengde benaderingen het beste: benaderingen waarin wettelijke verplichtingen worden gecombineerd met politieke sturing, samenwerking en transparantie. In veel landen in de regio Azië-Pacific worden instrumenten op basis van soft law bijvoorbeeld niet gezien als „zwakkere“ opties, maar als praktische middelen om gedrag te beïnvloeden, zoals Tan Hsien-Li uitlegt. Toch hebben zelfs deze hybride strategieën hun beperkingen; ze stimuleren vooruitgang, maar kunnen die niet garanderen.

Nieuwe en opkomende juridische instrumenten die hoop bieden

Een goed voorbeeld van een alternatief instrument is de Environmental Enforceable Undertakings (EEU's), die steeds vaker worden gebruikt in Australië en het Verenigd Koninkrijk. In plaats van een boete te betalen of voor de rechter te verschijnen, verbinden bedrijven zich tot concrete maatregelen: het herstellen van de schade, het voorkomen van herhaling, het aanpassen van interne systemen, het ondersteunen van maatschappelijke projecten en het openbaar maken van de overeenkomst. Deze mechanismen kunnen werken, maar ze zijn afhankelijk van vertrouwen, transparantie en toezicht.  Ze kunnen ook risico's met zich meebrengen, die mogelijk leiden tot onderhandelingen “achter gesloten deuren” en een gebrek aan transparantie, of machtsongelijkheid tussen toezichthouders en bedrijven. Om dit aan te pakken, bevelen de auteurs openbare richtlijnen, online registers voor alle EEUs en betrokkenheid van de gemeenschap aan. Toch vervangen deze instrumenten het civiele of strafrechtelijke systeem niet, maar vullen ze deze aan, en zoals hierboven opgemerkt, zijn ze niet vrij van uitdagingen.

Hoorzittingen bij het Internationaal Gerechtshof in het kader van het advies over klimaatverandering, 2024.
Bron afbeelding: ICJ/CIJ/Frank van Beek.

Een ander instrument dat steeds belangrijker wordt, is het advies (AO), waarmee internationale rechtbanken antwoord geven op specifieke juridische vragen. Op 23 juli 2025 heeft het Internationaal Gerechtshof (ICJ) zijn advies over klimaatverandering gepubliceerd. In dit advies benadrukt het Hof dat klimaatverdragen in hun onderlinge samenhang moeten worden geïnterpreteerd, en niet afzonderlijk, en dat staten tegelijkertijd aan hun handels- en klimaatverplichtingen moeten voldoen. Dit zet staten aan toteen “op het Akkoord van Parijs afgestemde interpretatie” in alle sectoren (wat betekent dat bijvoorbeeld zelfs in handelsrechtelijke geschillen naleving van het Akkoord van Parijs relevant kan worden). 

Toch hebben adviesadviezen hun beperkingen. Ten eerste zijn ze niet bindend: ze geven wel aan wat de wet voorschrijft, maar kunnen geen maatregelen afdwingen. Ten tweede gaan ze, omdat ze rekening moeten houden met politieke beperkingen, vaak de moeilijkste vragen uit de weg. Zoals Mario Prost opmerkte, geeft het adviesadvies van het Internationaal Gerechtshof geen uitsluitsel over de vraag of de uitbreiding van fossiele brandstoffen verenigbaar is met de zorgvuldigheidsverplichtingen, of dat beslissingen over klimaatfinanciering bindend zijn.

De beperkingen blijven echter niet beperkt tot juridische mechanismen, maar komen ook tot uiting in politieke processen – met name in multilaterale onderhandelingen. De meest recente Conferentie van de Partijen, COP30 in Belém, illustreerde deze spanningen. Het zogenaamde‘Bélem Political Package’bevat aanpassingsindicatoren die “vrijwillig, niet-dwingend, niet-bestraffend, faciliterend, mondiaal van aard, respectvol ten opzichte van nationale soevereiniteit en nationale omstandigheden en door landen gestuurd” zijn, en specificeert dat ze “onder geen enkele omstandigheid mogen worden gebruikt als voorwaarde voor Partijen die ontwikkelingslanden zijn om toegang te krijgen tot financiering in het kader van het Verdrag en de Overeenkomst van Parijs.” Deze formulering weerspiegelt een aanhoudende terughoudendheid om klimaatbeloften om te zetten in afdwingbare verplichtingen. 

Waarom wetgeving inzake ecocide belangrijk is

De juridische definitie van ecocide die in 2021 is opgesteld door een panel van onafhankelijke deskundigen (bijeengeroepen door de Stop Ecocide Foundation).

Ondanks de vele internationale rechtsinstrumenten die zijn ontworpen om naleving te waarborgen – variërend van rechtbanken tot innovatieve buitengerechtelijke mechanismen zoals de EEU’s – blijven dezelfde structurele beperkingen bestaan. Milieuschade op grote schaal kan nog steeds plaatsvinden zonder dat dit voor de veroorzakers veel of zelfs geen juridische gevolgen heeft.

Daarom vormt de wetgeving inzake ecocide een belangrijk stukje van de puzzel. Het strafrecht komt in beeld wanneer andere rechtsgebieden herhaaldelijk hun grenzen hebben laten zien. Door ecocide als internationaal misdrijf te erkennen, zou worden aangegeven dat de bescherming van het milieu en het klimaatsysteem niet alleen wenselijk en strategisch belangrijk is, maar een waarde vormt die bovenaan onze collectieve prioriteitenlijst staat

Bestaande instrumenten zijn belangrijk en moeten verder worden ontwikkeld. Maar ze zijn niet voldoende. Soft law zal het gedrag dat het slechts aanmoedigt immers nooit afdwingen, adviesuitspraken kunnen geen actie afdwingen, EEUs kunnen geen structurele schade herstellen en rechtbanken kunnen politieke terughoudendheid niet overwinnen.

De wet inzake ecocide vult een leemte op die de huidige handhavingsstructuur niet kan opvullen: zij voert juridische gevolgen in waar die nu vrijwel ontbreken. Zij benoemt de schade bij naam en legt de verantwoordelijkheid bij degene die daarvoor verantwoordelijk is. Uiteindelijk weerspiegelt deze wet een keuze over wat wij als internationale gemeenschap bereid zijn te accepteren – en wat niet. Misschien wel het belangrijkste is dat zij ons iets vertelt over wie wij als internationale gemeenschap willen zijn – wat wij bereid zijn te tolereren en wat wij weigeren te accepteren.


Referenties

Bodansky, Daniel, Harro van Asselt (red.). The Art and Craft of International Environmental Law. Oxford University Press, 2024. 

Parella, Kishanthi, „Handhaving van het internationaal recht ten aanzien van bedrijven: een benadering vanuit stakeholdermanagement“, Harvard International Law Journal, jaargang 65 (2024), blz. 283–341.

Brunnée, Jutta, „Handhavingsmechanismen in het internationaal recht en het internationaal milieurecht“, Environmental Law Network International (ELNI), nr. 1 (2005), blz. 1–10.

Kassie, Denicia, „Het juridische doolhof ontrafelen: onderzoek naar belemmeringen voor een effectieve omzetting en handhaving van internationaal milieurecht in nationale rechtsstelsels“, Journal of Environmental Management, nr. 352 (2024).

Prameela, A., Sundaram, A., „De handhaving van milieuwetgeving in ontwikkelingslanden: uitdagingen en kansen“, Library Progress International, 44(3) (2024), pp. 17661–17674.

Verones, Cristina, „Mechanismen voor particuliere partijen om de naleving van het internationaal milieurecht te toetsen“, in B. B. Richardson (red.), Rule of Law for Nature, Cambridge University Press (2015), pp. 275–292.

Gizari-Xanthopoulou, Anna & Manou, Dimitra, „Naleving en handhaving van milieuwetgeving: een kritische evaluatie“, International Journal of Environment and Sustainable Development, jaargang 13, nr. 3 (2014), blz. 240–258.

Van Deursen, Max & Gupta, Aarti, „Is grotere transparantie de ‚ruggengraat‘ van het Akkoord van Parijs? Een kritische evaluatie“, Transnational Environmental Law, jaargang 14, nr. 1 (2025), blz. 41–68.

Tan, Hsien-Li, „Niet langer het ‘stiefkindje’ van het harde recht: het groeiende respect voor zachte, niet-bindende rechtsinstrumenten in de internationale orde“, EJIL:Talk! (2025).

Prost, Mario, „Een ramp die voor een wonder doorgaat? Een kritische blik op het advies van het Internationaal Gerechtshof over het klimaat“, EJIL:Talk! (2025).

Forsyth, Miranda & Tepper, Felicity, „Milieuverplichtingen met rechtskracht: een innovatief instrument om milieuschade te herstellen en te voorkomen“, Journal of Environmental Law, jaargang 36 (2024), blz. 385–411.

Kuo, Susan S. & Means, Benjamin, „Forcing Climate Change Compliance“, Harvard Environmental Law Review, jaargang 48 (2024), blz. 441–490.

Wewerinke-Singh, Margaretha & Mead, Sarah, „Klimaatrechtszaken en de handhaving van de afspraken van Parijs“, in The Cambridge Handbook on Climate Litigation, Cambridge University Press (2025), p. 15.

Volgende
Volgende

Hoe erg is 'erg genoeg'? Het herstellen van de morele en wettelijke drempel van ecocide