Wereldwijde gevolgen van de EU-richtlijn inzake milieucriminaliteit
Deze gastblog is geschreven door Ana Laura Moreno Méndez, een Mexicaanse rechtenstudente die een master in internationaal en Europees recht volgt aan de Université Paris Cité in Frankrijk en als vrijwillig onderzoekster werkzaam is bij World Youth for Climate Justice (WY4CJ).
Milieucriminaliteit vormt een van de meest urgente bedreigingen voor de natuur en voor ons allemaal die daarvan afhankelijk zijn. Schade aan de aarde staat onlosmakelijk samen met schade aan de mens, en menselijke welvaart is ondenkbaar zonder een goed functionerende biosfeer. Milieucriminaliteit brengt gemeenschappen en economieën uit balans, vormt een bedreiging voor de volksgezondheid, ondermijnt de voedselzekerheid, verzwakt de rechtsstaat en werkt corruptie in de hand. Ondanks dat het de op drie na grootste criminele activiteit wereldwijd, krijgt het nog steeds onvoldoende middelen en politieke prioriteit.
Historisch gezien werd het milieurecht grotendeels geregeld via vrijwillige toezeggingen en bestuursrechtelijke voorschriften, waardoor bedrijven gemakkelijker konden anticiperen op boetes en daar rekening mee konden houden in hun begroting, zonder hun gedrag wezenlijk te veranderen. Deze aanpak is ontoereikend gebleken, maar het strafrecht kan deze leemte opvullen. Niet omdat het bestraffend is, maar omdat het milieustraffrecht preventief werkt. Het besluit van de EU om de rol van het strafrecht bij de aanpak van ernstige milieuschade te versterken, weerspiegelt dit groeiende besef. De richtlijn inzake milieucriminaliteit van 2024 gaat nog een stap verder door gekwalificeerde strafbare feiten in te voeren die vergelijkbaar zijn met ecocide, waarmee wordt erkend dat de ernstigste vormen van milieuschade de strengste strafrechtelijke reactie rechtvaardigen.
Het Europees Parlement, Straatsburg. Bron: Europese Unie via Flickr.
De richtlijn inzake milieumisdrijven werd voor het eerst aangenomen in 2008 en bestond naast Richtlijn 2009/123/EG inzake verontreiniging door schepen. Na een door de Europese Commissie geïnitieerd herzieningsproces trad op 20 mei 2024 een nieuwe richtlijn in werking. De redenen hiervoor waren concreet: het aantal succesvol onderzochte en berechtte zaken bleef zeer laag, de sancties waren niet afschrikkend, de grensoverschrijdende samenwerking was ontoereikend, er waren handhavingslacunes in alle lidstaten en op elk niveau van de handhavingsketen, en het gebrek aan betrouwbare gegevens maakte het moeilijk om de effecten te monitoren.
In het licht van de concepten die zijn naar voren gebracht door het door het onafhankelijke deskundigenpanel in 2021 juridische definitie van ecocide, introduceert de richtlijn voor het eerst op EU-niveau gekwalificeerde strafbare feiten in die gedragingen omvatten die vergelijkbaar zijn met ecocide. Lidstaten zijn verplicht om die gevallen als gekwalificeerde strafbare feiten aan te merken waarin het genoemde strafbare gedrag leidt tot de vernietiging van, of tot wijdverspreide en aanzienlijke schade aan ecosystemen, habitats, lucht, bodem of water, die onomkeerbaar of langdurig is. Op deze strafbare feiten moeten zwaardere straffen staan dan op de andere milieudelicten die in de richtlijn zijn vastgelegd.
De lidstaten moesten de richtlijn uiterlijk op 21 mei 2026 omzetten; lidstaten die nalaten nationale uitvoeringsmaatregelen mee te delen, lopen het risico dat de Europese Commissie een inbreukprocedure tegen hen inleidt, wat uiteindelijk kan leiden tot een verwijzing naar het Hof van Justitie van de EU en tot geldboetes. Het omzetten van een richtlijn houdt in dat de doelstellingen ervan in het nationale rechtskader worden verankerd. In tegenstelling tot verordeningen laten richtlijnen ruimte voor de wijze waarop ze worden uitgevoerd, wat extra besluitvorming op nationaal niveau vereist. Hoewel de definities in de richtlijn van 2024 nauwkeuriger zijn dan in de vorige versie, vereisen de meeste interpretaties nog steeds een diepgaander begrip van het onderliggende milieurecht, en zijn daadwerkelijke verschillen tussen de rechtsstelsels van de lidstaten zowel te voorzien als begrijpelijk; de oplossing kan alleen worden gevonden door middel van dialoog.
De richtlijn heeft ongetwijfeld een belangrijke rol gespeeld bij de recente ontwikkeling van het internationaal milieustrafrecht. Sinds de goedkeuring ervan in 2024 is het momentum achter de wetgeving inzake ecocide wereldwijd blijven toenemen. In september 2024, hebben Vanuatu, Fiji en Samoa gezamenlijk een formeel voorstel ingediend om het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof te wijzigen, teneinde ecocide op te nemen als vijfde internationaal misdrijf, naast genocide, misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en het misdrijf van agressie. Ook op regionaal niveau is er sprake van een duidelijk momentum, met de ontwikkeling van een modelwet inzake ecocide voor Latijns-Amerikaen de Afrikaanse ministeriële conferentie over het milieu ecocide als regionale prioriteit heeft aangemerkt.
Ecocide is tijdens de Afrikaanse ministeriële conferentie over het milieu van 2025 aangemerkt als een regionale prioriteit. Bron afbeelding: Milieuprogramma van de Verenigde Naties, kantoor Afrika via Flickr.
Nu de EU-lidstaten de richtlijn in nationaal recht omzetten, biedt dit een belangrijke kans om ecocide als een op zichzelf staand strafbaar feit in de nationale wetgeving op te nemen. De richtlijn verplicht de lidstaten om een reeks ernstige milieudelicten strafbaar te stellen en de ernstigste gevallen te behandelen als gekwalificeerde delicten waarop zwaardere straffen staan. Zij verplicht hen echter niet om ecocide als een afzonderlijk strafbaar feit in te voeren. Terwijl regeringen hun wetboeken van strafrecht herzien en moderniseren, kunnen zij ervoor kiezen om een stap verder te gaan door afzonderlijke wetten inzake ecocide in te voeren, waarin de ernstigste en ofwel wijdverspreide, langdurige of onomkeerbare milieuschade als een op zichzelf staand strafbaar feit wordt erkend.
Overheden die voor deze aanpak kiezen, zouden voortbouwen op een steeds sterker wordende internationale trend. België en Frankrijk hebben al binnenlandse strafbare feiten op het gebied van ecocide vastgelegd, Mauritius heeft zich onlangs bij hen aangesloten, en in landen als India, de Filippijnen, Italië, Peru, Schotland, Braziliëen Mexico.
Lidstaten kunnen er ook voor kiezen hun rechtsbevoegdheid uit te breiden tot bepaalde strafbare feiten die buiten hun grenzen zijn gepleegd, met name wanneer daarbij op hun grondgebied gevestigde rechtspersonen betrokken zijn of wanneer deze feiten aanzienlijke milieuschade veroorzaken die hun grondgebied treft. In combinatie met strengere nationale wetgeving zouden deze bepalingen ertoe kunnen bijdragen dat de aansprakelijkheid gelijke tred houdt met het grensoverschrijdende karakter van veel van de ernstigste milieuschadegevallen van dit moment.
Dit is met name van belang in de context van de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika, een relatie die een nieuwe impuls krijgt door de MERCOSUR-onderhandelingen en de handelsovereenkomst tussen de EU en Mexico, die beide zijn gebaseerd op een gezamenlijk streven naar open markten en de naleving van bestaande milieuwetgeving. Dit project wordt echter moeilijk vol te houden wanneer de Latijns-Amerikaanse regio voortdurend onder druk staat door het ene na het andere milieubedreigende project.
Een recent voorbeeld deed zich dit jaar voor in Topolobampo, in de staat Sinaloa in Mexico, waar de bouw van een ammoniakfabriek door het Zwitserse concern Proman, gefinancierd door de Duitse staatsbank KfW IPEX-Bank, leidde tot de vernietiging van 28 hectare mangrovebos in een door Ramsar aangewezen gebied van internationaal belang. Diezelfde fabriek dreigt het ecosysteem te vervuilen waarvan ongeveer 4.000 vissersgezinnenen ongeveer 2.500 leden van de inheemse Mayo-Yoreme-gemeenschapdagelijks van afhankelijk zijn.
Dit is precies het scenario waarop een ambitieuze omzetting van de bepalingen inzake extraterritoriale jurisdictie een antwoord zou kunnen bieden, mochten de lidstaten besluiten zo ver te gaan. Dit is voor Europa de kans om zijn geloofwaardigheid op het gebied van klimaatleiderschap te versterken, en voor Latijns-Amerika de kans om zich te profileren als mede-bepaler van het opkomende mondiale kader, in plaats van als passieve volger van normen en belangen.
Hieruit volgt dat de richtlijn niet op zichzelf staat, maar deel uitmaakt van een breder regelgevingskader, naast instrumenten zoals de richtlijn inzake zorgvuldigheidseisen op het gebied van duurzaamheid voor ondernemingen en de richtlijn inzake duurzaamheidsverslaglegging door ondernemingen. Daarnaast hebben drie baanbrekende adviesuitspraken bevestigd dat staten bindende wettelijke verplichtingen hebben om ernstige milieuschade te voorkomen: het Internationaal Zeerechttribunaal heeft het eerste advies op 21 mei 2024 uitgebracht; het Inter-Amerikaanse Hof voor de Rechten van de Mens volgde met advies OC-32, en het Internationaal Gerechtshof (ICJ) heeft zijn advies over de verplichtingen van staten met betrekking tot klimaatverandering op 23 juli 2025.
Bedrijven hebben niet alleen de plicht om dit kader na te leven, maar ook de bevoegdheid om ervoor te pleiten, en daar zijn goede redenen voor. De gevolgen van niet-naleving zijn duidelijk: de strafrechtelijke aansprakelijkheid strekt zich niet alleen uit tot het bedrijf, maar ook tot de leidinggevenden, die niet alleen te maken kunnen krijgen met administratieve, maar ook met strafrechtelijke procedures, waaronder een mogelijke gevangenisstraf.
Milieuactie is dan ook niet langer een optionele blijk van goed ondernemingsgedrag, maar wordt een voorwaarde voor commerciële veerkracht op de lange termijn. Misschien wel de belangrijkste verschuiving is het besef dat een duidelijk en voorspelbaar wettelijk kader geen last is voor het bedrijfsleven, maar juist een basis vormt voor stabiele investeringen, degelijk risicobeheer en winstgevendheid op de lange termijn. Milieueffectbeoordelingen worden net zo essentieel als financiële haalbaarheidsstudies, en naleving van milieuwetgeving wordt steeds meer een kerntaak van het bestuur in plaats van een bijzaak in de regelgeving. Bedrijven die deze verschuiving vroeg onderkennen, zullen beter gepositioneerd zijn om te floreren in markten waar steeds meer waarde wordt gehecht aan milieuverantwoordelijkheid.
Het succes hangt af van hoe snel het besef van de intrinsieke waarde van de natuur en onze verwevenheid daarmee wordt omgezet in daden. Verantwoordelijkheid is niet de vijand van vooruitgang, maar juist de voorwaarde ervoor. Het erkennen van ecocide als misdrijf vormt geen belemmering voor groei, maar zal deze juist bevorderen, want schade toebrengen aan de aarde betekent schade toebrengen aan de mensheid, en als menselijke welvaart niet duurzaam is, is er geen sprake van echte welvaart.